cOM Vakblad Logo
“Sterke communicatie begint bij luisteren op straat”
Uit Editie 5 - Voorjaar 2026

“Sterke communicatie begint bij luisteren op straat”

Stijn Joris & Michaël Van Tilborg8 juni 2026

We treffen Kris Peeters in zijn Herentals, maar hij is van vele markten thuis. Ooit was hij fietsambtenaar in Antwerpen, hij schreef al vier boeken over mobiliteit en is vandaag lector verkeerskunde. Welke pet hij ook op heeft, hij staat voor een duidelijke mening. Ook over heilige huisjes en dus schuift cOM graag bij hem aan.

KRIS PEETERS

  • Geboren en getogen in Herentals
  • Zelfstandig mobiliteitsdeskundige
  • Lector aan de opleiding Verkeerskunde en Mobiliteit (PXL Hasselt)
  • Auteur van diverse boeken over mobiliteit
  • Schrijft de blog ‘De Andere Kris Peeters’

Een stevige bui verstoort de fotoshoot. Om ons op te warmen neemt Kris Peeters ons mee naar café De Zalm. Toeval bestaat niet. Als mobiliteitsdeskundige zwemt hij regelmatig tegen de stroom in.

Je ideeën botsen vaak op weerstand. Zoals auto’s en parkeergarages mijden in stadscentra of het invoeren van de kilometerheffing. Hoe duw je ze toch door?

“Veel van de voorstellen waarvoor ik dertig jaar geleden nog als een dromer werd weggezet, zijn vandaag mainstream. Zo is het intussen een evidentie dat fietsers een eenrichtingsstraat wel in beide richtingen gebruiken. De eerste stap om zoiets erdoor te krijgen, is problematiseren. Mensen moeten eerst inzien dat er een probleem is.”

Veel projecten vertrekken nog van een plan en dringen verandering op. Die aanpak kieper jij resoluut in de prullenmand?

“Pas als ze beseffen dat iets eigenlijk niet ideaal is en dat het beter kan, gaan mensen luisteren. Dat is een stramien. Ik maak gebruik van het Overton-venster (zie kader, red.). Dat situeert ideeën op een as van 'ondenkbaar' en 'radicaal' tot 'populair'. Soms groeien ze uit tot 'beleid'. Dat gebeurt nooit vanzelf. Daar is altijd strijd voor nodig.”

Bij sommige ideeën gaat die evolutie allicht sneller dan bij andere?

“Ik schreef ooit een 'radicaal' artikel over ontharding. Dat heeft twee jaar moeten rijpen, maar vandaag is het bijna een hype. Soms raak je vrijwel meteen een gevoelige snaar. In andere gevallen is het lang leuren. Soms aarzelen we om beslissingen te nemen omdat we denken dat ze niet breed gedragen zijn. Door zomaar onze attitude te projecteren op anderen, onderschatten we het draagvlak wel eens. Vaak is er meer consensus dan we denken.”

Verlies je in het mobiliteitsdebat een deel van het publiek als je hen met te veel jargon om de oren slaat?

“Verkeerskunde heeft een eigen jargon. Daar is niets mis mee. Voor een gespecialiseerde doelgroep mag je best wel wat vaktaal inzetten. Zolang je je maar niet in geheimtaal wentelt om mensen uit te sluiten. Dan krijg je ongelijkheid in het debat. In mobiliteitsdiscussies maak ik heel graag het verschil tussen vakdeskundigheid en ervaringsdeskundigheid. Sterke communicatie begint bij ervaringsdeskundigheid. Die zit bij de mensen en geen enkele externe deskundige kan die evenaren.”

Hoe implementeer je de kennis die bij de mensen zit het best in een strategisch communicatieplan?

“Als ze jouw straat gaan openbreken, dan ben jij de expert met de meeste ervaring. Jij weet exact wat daar gebeurt. We vergeten aan participatie te doen en kleuren nog heel vaak een straat van nul opnieuw in. Terwijl er meestal elementen zijn die goed werken. Om die te kennen, moeten we gaan luisteren naar de gebruikers. Zo oogsten we ervaringsdeskundigheid en kunnen we soms zomaar op vakdeskundigheid botsen als er bijvoorbeeld een architect of een groendeskundige in de buurt woont. Zo iemand is rechtstreeks betrokken en uitermate gemotiveerd om mee te denken. Dat zijn kansen die we te veel laten liggen.”

Luisteren is één ding, maar waar trek je de lijn en komt de vakdeskundigheid vanuit het project op de proppen?

“Eerst luisteren volstaat al om mensen over jouw insteek te laten nadenken. Of over die van hun buren, die zelden dezelfde is. Dat vergemakkelijkt het gesprek. Let wel op dat je goed het onderscheid maakt tussen doel en middelen. Over doelen is iedereen het veel sneller eens dan over middelen. Zodra er consensus is, is het aan de vakdeskundigen om te kijken hoe je die kan realiseren.”

Artikel afbeelding
“Soms onderschatten we het draagvlak doordat we onze gedachten zomaar projecteren op anderen. Vaak is er meer consensus dan we denken.”

Wat als bewoners proactief met vragen of klachten aankloppen? Pak je hen met fluwelen handschoenen aan of ga je recht door zee?

“Als mensen aandringen op – ik zeg maar wat – meer parkeerplaatsen in hun straat, ga dan op zoek naar de vraag achter de vraag. Wat ze eigenlijk willen, is meer comfort. Een parkeerplek voor iemands deur, is niet altijd vrij. Eigenlijk willen ze dichtbij kunnen laden en lossen. Speel daarop in.”

Dan heb je naar één individu geluisterd. Wat als ze een front vormen?

“Laat ze met elkaar babbelen. Dan stellen ze vast dat niet iedereen hetzelfde wil. Dan zijn ze zich al bewust dat het niet zo eenvoudig is. Dat is ook al winst. Zo groeit het begrip voor compromissen en zet je hen aan om ook over alternatieven na te denken. Dat is stap één naar draagvlak.”

Mensen denken logischerwijs in eerste instantie aan zichzelf. Hoe laat je ze verder kijken dan hun eigen oprit?

“Ver genoeg uitzoomen. Kom je meteen met een project waardoor ze hun gewoonten moeten aanpassen, dan gaat het mis. In het begin hou je het beter iets abstracter. Vertrek vanuit een gemene deler. Bijvoorbeeld die van jonge gezinnen: een straat inrichten met de kindnorm voor ogen, daar is iedereen voor.”

Veel projecten hangen vast aan processen met weinig ruimte voor diepgaande participatie. Hoe maak je er toch ruimte voor?

“Als je het niet doet, komen er bezwaarschriften jouw kant op. Neem daarom eerst de tijd om buiten de procedure te stappen en het gesprek aan te gaan. Dat slorpt energie, maar uiteindelijk boek je tijdwinst. Klachten zijn vaak terug te brengen tot het verkeerd lezen of niet begrijpen van een plan. Dingen die je makkelijk kan opvangen als je bij de start weet dat ze spelen.”

De realiteit is alleen dat overheden liever gisteren dan vandaag de plannen goedgekeurd willen. Hoe bewaar je die balans?

“Bij ruimtelijke projecten verwarren we efficiëntie wel eens met snelheid. Bij een nieuwe woonwijk of gebouw, dan werk je aan iets dat er de komende vijftig jaar nog is. Neem dan ook de tijd om inzichten te laten rijpen.”

Staat mobiliteit hoog genoeg op de agenda? Vaak komt het nog net voor communicatie op de voorlaatste plek in het prioriteitenlijstje.

“We moeten vaak onze voet tussen de deur steken. (lacht) Verstandige gemeentebesturen en projectontwikkelaars nemen de mobiliteitsdeskundige vanaf stap één mee in het verhaal. Mobiliteit gaat echt wel om meer dan parkeerplekken inplannen. Het gedrag van mensen staat centraal. Daar zit ook psychologie en sociologie in. Ruimte en mobiliteit zijn een Siamese tweeling. Apart creëren we elkaars problemen. Als we samenwerken, lossen we ze op.”

U bent best kritisch op het openbaar vervoer in Vlaanderen, ondanks de goede campagnes die ze opzetten. Is de verpakking beter dan de inhoud?

“Je kunt de beste marketingcampagne runnen, maar als je product niet goed is, zal het niet lang duren. Openbare vervoersmaatschappijen moeten eerst een dienstverlening aanbieden, die naam waardig. Alles begint bij een duidelijke visie. Willen we met het openbaar vervoer alleen maar pendelverkeer aanbieden? Of een volwaardig alternatief voor de auto zijn? De bedrijfscultuur moet omgegooid worden. Het discours is nog te veel dat openbaar vervoer een kost is, een probleemkind. Eigenlijk is het een kans om te investeren in duurzame mobiliteit.”

De fiets is aan een opmars bezig. Nederland en Vlaanderen zijn momenteel de twee beste fietsregio’s in Europa. Bereiken we daar langzaamaan een plafond?

“Er gebeuren nog veel korte verplaatsingen met de auto. Daar valt nog veel winst te boeken. De infrastructuur maakt ook een verschil. Die is sterk verbeterd en daar plukken we de vruchten van. Built it and they will come, dat werkt.”

“Een heel belangrijk punt is de link met ruimtelijke ordening. We bouwen nog altijd verder op het lint. In een stad kun je openbaar vervoer goed organiseren, in landelijk gebied is dat een stuk moeilijker. Politici moeten dat figuurlijke lint doorknippen en werk maken van de bouwshift. We verharden nog elke dag meerdere voetbalvelden aan gronden. Terwijl leegstand opties biedt voor een mix van functies. Nabijheid betekent automatisch wandel- en fietsbaarheid.”

Het succes van de fiets kent ook een keerzijde. De opmars van de e-step en fatbikes zorgen wel eens voor overlast.

“Al sinds WO II passen we onze omgeving aan onze vervoerswijzen aan in plaats van andersom. Telkens we zijn afgestemd op een nieuw vervoersmiddel, verdwijnt het. Voor brandweertrucks moet alles wijken. Die worden alsmaar groter, maar ze moeten wel nog in historische stadscentra raken. In Stockholm werken ze in de oude stad met aanhangwagens en compactere brandweervoertuigen. Wat passen we aan? De vervoersmiddelen of hun omgeving?”

Heb je tot slot nog een communicatietip voor omgevingsprofessionals?

“We moeten af van het idee dat een mobiliteitsdeskundige – en nu spreek ik tegen mijn winkel – het allemaal zomaar kan oplossen. Ik ben voor een multidisciplinaire aanpak waarbij we met vereende krachten en samen met bewoners zoeken naar een win-win. Dat is ook net het boeiende.”

Wat is het Overton-venster?
Het Overton-venster dateert van de jaren '90 en is vernoemd naar de Canadese bedenker Joseph Overton. Hij beschreef een spectrum van 'meer vrij' tot 'minder vrij' voor overheidsinterventies. Dat bracht hij over op een verticale as. Naarmate het spectrum, in dit geval dus het venster, verschuift of zich uitbreidt, verschuift ook het idee naar meer of minder aanvaardbaar. En kan het finaal beleid worden.
Artikel afbeelding